DR Congo

Reisverslag D. Verhoeven : Vinger aan de pols


12/02/09 - De Democratische Republiek Congo is de laatste tijd erg veel in het nieuws, vooral dan met de dramatische evoluties in het Oosten en de humanitaire crisis. Maar ook de situatie in de hoofdstad Kinshasa en de rest van het land is verre van rooskleurig. Toch blijft het een land met een toekomst, en met een bevolking die blijk geeft van een merkwaardige ‘resilience’, of in de Congolese variant: ‘système D’, of ‘article 15’. Débroullez-vous, trek uw plan…

Van 19 tot 31 januari laatstleden waren we met een delegatie van Caritas International, bestaande uit voorzitter Michel Verhulst, ondervoorzitter Dominic Verhoeven, directeur Gonzalo Dopchie, en de projectverantwoordelijke RDC, Gregory Claus, in Kinshasa en in de evenaarsprovincie. Contacten met de Congolese Caritasorganisatie, het uitwuiven van Hugues Bonte, hoofd van onze ‘Représentation’ in Kinshasa, de overgang van het vijfjarig hulpprogramma naar het nieuwe Plan Triennal… Redenen genoeg voor een bezoek aan het belangrijkste partnerland van Caritas International.

Eerste impressies Kinshasa


De eerste indruk van Kinshasa is overweldigend. Een stad waarvan niemand precies de omvang kent maar die schommelt tussen 8 en 10 miljoen inwoners en nog elke dag aangroeit, zonder al te veel infrastructuur. Enkel de hoofdassen zijn normaal berijdbaar – en daar is het dan ook constant file. En verder is de stad kris-kras uitgedeind met nieuwe bidonvilles, vaak zonder nutsvoorzieningen. We zullen nog de kans krijgen ze te bezoeken.

De eerste week blijven we in Kinshasa en de omgeving. De eerste ontmoeting is er één met Caritas Développement Congo, de nationale koepelorganisatie. Niet alleen maar een beleefdheidsbezoek, maar alvast een stevige bespreking. De uitdagingen voor Caritas Congo zijn immens, net als het land zelf. Er zijn zevenenveertig diocesen, elk met een eigen caritaswerking – én met buitenlandse steun. Het is een huzarenstuk om dit op elkaar te laten aansluiten, laat staan om ook de resultaten van het ene diocees voor het andere te ontsluiten. Toch ligt daar ook een van de belangrijkste opgaven.

We maken van de gelegenheid gebruik om ook gesprekken te hebben met de Congolese Bisschoppenconferentie, met de Belgische ambassade, met de diplomatieke diensten van de Europese Unie en later op de week ook met de Orde van Malta. Het is niet altijd gemakkelijk werken in een land dat zo lang ten prooi heeft gelegen (en in het Oosten nog steeds) aan burgeroorlog en conflict, en dat er maar moeizaam in slaagt stappen te zetten om de democratie herop te bouwen. Toch gloort er alleszins wat de Belgisch-Congolese betrekkingen betreft, licht aan het einde van de tunnel: terwijl we in Kinshasa zijn, valt het nieuws dat de nieuwe Belgische ambassadeur Struye eindelijk geaccrediteerd is, en dat beide regeringen opnieuw permanent overleg zullen instellen.

Het andere Kinshasa

Caritas Kinshasa heeft twee grote afdelingen: de BDD, en de BDOM, resp. het Bureau Diocésain de Dévelopment, en het Bureau Diocesain d’Oeuvres Médicales. We brengen bij beide een dag door. Eerst komt de BDOM aan de beurt. Met zuster-dokter Bénédict Claus gaan we eerst naar Kisenso, een sloppenwijk van Kinshasa, waar de BDOM een districtsziekenhuis uitbaat en een centrum voor ondervoede kinderen.

In totaal bedient de BDOM met één referentieziekenhuis St Joseph – waar we later nog zullen terugkeren – en met een net van districtsziekenhuizen en centres medicales et nutritionels een bevolking van anderhalf miljoen inwoners. Het vergt een organisatietalent om alles bij elkaar te krijgen en draaiende te houden, maar zuster Bénédict slaagt er telkens weer in, al ligt het nu wel extra moeilijk. Door de noodtoestand in Oost-Congo met het gewapend conflict, is de aandacht, ook van ECHO en het World Food Program, naar daar verschoven en is de voedselsituatie in Kinshasa niet prioritair meer. Terwijl er nog tienduizenden kleine kinderen afhankelijk zijn van de hulp van de centra van de BDOM.

Het bezoek aan Kisenso geeft ook een beeld van een stad die haar eigen aangroei geenszins kan bijhouden. Elektriciteitsvoorziening is er nauwelijks, en ze is weinig betrouwbaar. Heel vaak zijn er stroompannes. Voor de medische apparatuur, zoals we ook in het St Joseph-ziekenhuis zagen, is dat dodelijk. Ze kan de stroompieken waarmee de heropstart gebeurt, immers niet aan. Ook drinkbaar water is een probleem. De zustercongregatie zorgde met Belgische en Japanse financiering voor grote watertanks op de top van de heuvel, zodat de plaatselijke bevolking via kraantjes op openbare plaatsen in de buurt over drinkbaar water kan beschikken. Verder is de voorstad van Kinshasa nauwelijks bereikbaar met de wagen: je hebt een goede vier maal vier nodig, en dan nog mag het niet regenen… (zie foto).

Later op de week bezoeken we nog een bezoek aan het ziekenhuis St Joseph, referentieziekenhuis voor goed anderhalf miljoen Kinois. Het is er een drukte van jewelste, de consultaties zijn in volle gang. Zuster Claus leidt ons rond. Ze is er in geslaagd om het ziekenhuis een uitstraling – en uitrusting ! - mee te geven voor wat oftalmologie betreft, die de grenzen van Congo overstijgt. Ook de fistula clinic – ook met hulp van de Belgische dokter De Backer haalt een hoog niveau. Door deze afdelingen en het feit dat de kliniek ook bij de buitenlanders in Congo goed staat aangeschreven, kan de voorziening uit de rode cijfers blijven. De uitrusting van het ziekenhuis blijft echter rudimentair. Hoogtechnologische apparatuur die van Europese ziekenhuizen kan worden overgenomen, is kwetsbaar omwille van de energieproblematiek. Reparaties vormen een ander probleem: zelfs een klein euvel volstaat om een toestel voor langere tijd op non-actief te zetten.

Tijdens ons bezoek wordt een jongen binnengebracht, met een gecompliceerde beenbreuk. Hij is van een rijdende trein gevallen. Veel van de patiënten beschikken niet over middelen om te betalen. Een sociale dienst, die gerund wordt door mensen van de Focolari-beweging, zorgt voor een dagelijkse maaltijd (voor de andere patiënten is het de gewoonte dat de familie eten brengt !), en zamelt ook kleding in, om nadien mee te geven.

HIV en AIDS is een ander probleem. Het aantal seropositieve inwoners n in Kinshasa wordt op 4,7 % geraamd, elders rond de 1,5 %. In vergelijking met andere landen in Afrika is dit nog betrekkelijk laag. Toch hypothekeert het in niet geringe mate de toekomst van het land. Voorlichtingscampagnes zijn dringend noodzakelijk en worden ook door de Caritasdiensten opgezet. Er is nog veel werk aan de winkel.

Plateau van Bateke

Met steun van de Belgische overheid zette het Bureau Diocésain de Dévelopment van Caritas Kinshasa de afgelopen vijf jaar een voedselzekerheidsproject op, op het plateau van Bateke, een hoger gelegen en grotendeels ontboste vlakte buiten de hoofdstad. In vier assen of zones zijn verschillende soorten van kleinschalige projecten opgezet, om de lokale bevolking toe te laten hun opbrengsten en dus ook hun levensonderhoud te verbeteren. We bezoeken verschillende van deze initiatieven: de introductie van legkippen, nieuwe teeltvariëteiten voor Maïs, arachidenoten,maniok, het aanplanten van acaciabomen en van fruitsoorten, de aanleg van een waterput… Telkens gaat het om kleinschalige projecten waar kleine groepen een beetje beter van worden. Naarmate projecten aanslaan – de introductie van legkippen was een onverwacht succes – worden ze elders gemultipliceerd.

De kleinschalige aanpak zorgt ervoor dat de mensen ook meester kunnen blijven van hun eigen project. Telkens worden ook kleine comités opgericht, om het materiaal te onderhouden, of om de reserves aan plantgoed op peil te houden, om de productie gezamenlijk naar Kinshasa te brengen voor verkoop op de markt. Animatie en vorming zijn hier van primordiaal belang.

Een eigen "Point de Vente" zorgt ervoor dat gebruiksgoederen ook kunnen aangekocht worden aan realistische prijzen, zonder woekerwinsten voor de tussenhandelaars, of zonder de dure trip naar Kinshasa te moeten maken. We ontmoeten vele dankbare gezichten. Spijts alle problemen zijn mensen er hier in geslaagd hun toekomst zelf terug in eigen hand te kunnen nemen. Het doet deugd dat we daar als Caritas aan mogen meewerken.

Op de terugweg houden we nog even halt bij Pater Tanghe, een Westvlaams missionaris, die hier zijn stek heeft, met een mooi uitzicht op de meanders van Congo-stroom. Het aantal Belgen in RDCongo bedraagt nog slechts enkele duizenden en de missionarissen worden er niet jonger op, maar hun rol en impact zijn nog steeds zeer groot.

Later tijdens de receptie naar aanleiding van het afscheid van Hugues Bonte zal voorzitter Michel Verhulst ook wijzen op de bijzondere relatie die Congo ook voor Caritas International heeft, en op het partenariaat tussen beide Caritassen als model van samenwerking. De klemtoon ligt inderdaad bij onze Congolese zusterorganisatie. Het werk moet in eerste instantie immers door hen worden opgepakt. En het lukt. Volgend jaar zal het vijftig jaar geleden zijn dat de nationale Caritasfederatie werd opgericht. Een vruchtbare investering zo blijkt.

Tijdens de receptie krijgen we van medewerkers van de ambassade ook te horen dat de weg tussen Kisangani en Beni terug open is – met de hulp van de Chinese overheid. Infrastructuur is een groot probleem in Congo – West- en Oost zijn over de niet meer met elkaar verbonden. Geleidelijk aan wordt er evenwel toch werk gemaakt van de reparatie en heraanleg van de wegeninfrastructuur. Al zal het nog wel een hele tijd duren vooraleer je terug van Kinshasa naar Lubumbashi kan in een gewone personenwagen….

We ontmoeten er ook onze andere Caritas-coöperanten uit de regio Kananga en Mweka, die voor de gelegenheid naar Kinshasa zijn afgezakt, Emily en Christian, respectievelijk agronoom en gezondheidswerker. Christian is actief in de regio die vooral rond Ebola in het nieuws komt. Hij is dan ook betrokken bij het monitoring programma rond het virus. Hij houdt een vurig pleidooi voor een geïntegreerde aanpak met aandacht voor gezondheid en preventieve gezondheid in al onze projecten, en voor een globale aanpak ervan, over de regio’s heen. We nemen de boodschap mee.

Equatoriaal Basankusu

Nadat we afscheid genomen hebben van Michel Verhulst vertrekken we op zondag voor het tweede luik van ons bezoek naar de evenaarsprovincie. ’s Morgens vroeg uit de veren om rond vier uur in de namiddag aan te komen in Basankusu, 300 km ten oosten van Mbandaka in het regenwoud. De vlucht in een Antonov-toestel met kale banden, waarbij de passagiers zoveel mogelijk naar voor moeten gaan zitten om van de kleine piste van Bumba weg te komen zonder de bomen te raken, is op zich al een belevenis, maar we komen aan in Basankusu. Fileproblemen zijn er hier niet: er rijden een twintigtal wagens in een stad van 200.000 inwoners – het ganse bisdom, tweemaal zo groot als België, telt er een kleine twee miljoen. We maken kennis met de mensen van Caritas Basankusu, Abbé Dieudonné en zuster Félicité, en met pater Harry, missionaris van Mill Hill.

Basankusu lag tijdens de oorlogsjaren op de demarcatielijn. Er waren nogal wat ‘bevriende’ troepen gelegerd – uit Zimbabwe, Angola en Oeganda – wat voor de bevolking geen heil gebracht heeft. Aangezien de logistiek te wensen overliet, werden de velden van de lokale gemeenschappen leeggeroofd, en werd ook het wildbestand systematisch aangesproken. We hebben tijdens ons verblijf dan ook geen enkele bonobo of ander inheems dier gezien. Een ander neveneffect van de militaire aanwezigheid is het feit dat de HIV-prevalentie hier de percentages van Kinshasa benadert.

Tijdens de volgende dagen bezoeken we verschillende projecten die de afgelopen jaren samen met Caritas Basankusu werden opgezet in het kader van de voedselzekerheid. Na de doortocht van de militairen was de voedselproductie immers gestokt. De bereikbaar is echter een heel ander verhaal in vergelijking met het plateau de Bateke. De eerste dag gebeurt het bezoek per prauw, de volgende dag per jeep, over wat eens de ‘Route Nationale’ naar Mbandaka was, maar wat nu nauwelijks een voetpad is met opgeschoten gras aan weerszijden, en waar geregeld een boom overheen valt – wat we ook aan den lijve mochten ondervinden. De bisschop, mgr. Mokobe, die we in Kinshasa mochten ontmoeten, is dan ook vaak te voet op stap – met dagmarsen van 25 km – om zijn gelovige gemeenschappen te bezoeken.

Maar het bezoek aan de gemeenschappen zelf is opnieuw hartverwarmend. Zowel voor de vissers – met nieuwe vistechnieken, netten en manieren om de vis te drogen en te bewaren – als voor de landbouwgemeenschappen met nieuwe teeltvariëteiten en bijkomende gewassen (o.m. rijst…), heeft de samenwerking wel degelijk een verschil gemaakt. Zaak wordt wel om deze verworvenheden vast te houden. Ook hier worden comités gevormd, om de werking te contiueren. Sommigen zijn er in geslaagd om met de opbrengst van het project al een eigen droogvloer aan te leggen, of de gemeenschap van electriciteit te voorzien (voorwaar geen sinecure in Basankusu !). Bij anderen moet het proces nog ondersteund worden. Maar het is dan ook niet vanzelfsprekend om te sparen, als er zoveel dringende noden zijn. Vooral het schoolgeld voor de kinderen komt overal als eerste wens naar voor…

Ook bij deze bezoeken drukken we er telkens weer op dat onze samenwerking vooral moet bestaan in begeleiding en ondersteuning: kleine projecten, kleine verbeteringen laten toe dat mensen voor zichzelf kunnen gaan zorgen, en ook hun eigen toekomst weer in eigen handen nemen, zonder een blijvende instroom van vreemd kapitaal. Na elke verwelkomingstoespraak met dankwoord en geschenken – de opbrengst van de grond – volgt immers vaak nog een lijstje van verre toekomstdromen, waarbij vooral de nood aan infrastructuur en transport opduikt. Maar die toekomst is meer gediend met een georganiseerde gemeenschap die afspraken maakt om de opbrengst van de oogst samen te brengen en gezamenlijk te verkopen, dan met een camion, waarbij men zeker de eerste jaren nooit in de buurt zal komen van het opzij zetten van de nodige middelen voor onderhoud en vervanging...

Een belangrijk onderdeel van vorming en animatie heeft ook te maken met de ‘gender’-problematiek. Eén van de mannen verwoordde de taakverdeling alzo: de mannen vormen het comité, de vrouwen doen het werk op het land. Elders kwamen op een bijeenkomst van een vrouwenbeweging uitsluitend mannen opdagen: het was namelijk middag, en de vrouwen moesten toch koken ? Toch wordt er ook op dit vlak vooruitgang gemaakt: we onthouden het vurig pleidooi van een zelfbewuste jonge vrouw voor meer betrokkenheid bij het project, waarbij in haar gemeenschap alvast de daad bij het woord gevoegd was met een vrouwelijke voorzitster van het – overigens succesvolle - comité.

De terugreis begint met een lange tocht per prauw naar Mbandaka, 300 km verder. We doen er 14 uur over, tussen de wonderlijke pracht van het Congolese binnenland en de laatste 75 kilometer over de imposante Congostroom zelf, levensader ook voor de gemeenschappen in het binnenland waarvoor Le Fleuve nog de enige toegangsroute is. Ook in Mbandaka staan nog enkele veldbezoeken op het programma, ditmaal prospectief: hier begint de samenwerking met het nieuwe driejarige medefinancieringsproject met de Belgische overheid dat binnen enkele maanden van start gaat, en waar Mbandaka één van de nieuwe regio’s is, die naast Kinshasa en Basankusu worden opgenomen.

De lange reistrajecten bieden ook ruim de gelegenheid om bij te praten. Zuster Félicité vertelt gepassioneerd over de Communautés Ecclésiales Vivantes, lokale parochiale gemeenschappen die weliswaar soms overlappen maar zeker niet altijd samenvallen met de organisations paysannes die we bezochten in het kader van de projecten, en die ervoor zorgen dat ook in een bisdom twee keer zo groot als België, met een vijftigtal priesters, er een bloeiend en geëngageerd parochiaal leven gedijt, met bijbelgroepen en een werkzame lokale diaconie. Of hoe een partenariaatsrelatie gericht is op wederzijdse verrijking.

 

Wie zijn wij | Hulp buitenland | Hulp aan migranten | Hoe helpen? | Publicaties | Pers | Contact

Caritas International, Liefdadigheidstraat 43, 1210 Brussel
Tel: +32 (0)2 229 36 11, Fax : +32 (0)2 229 36 25, info@caritas-int.be, © 2008