Terwijl men in Saharsa nu stilaan greep begon te krijgen op de situatie, waren er in het Madhepura district nog steeds slachtoffers die tot dusver niet de geringste vorm van bijstand hadden genoten, en dat sinds de aanvang van de ramp, op dat moment meer dan vijftig dagen geleden. De brug die Madhepura met Saharsa verbond was immers totaal verwoest en de enige beschikbare transportmiddelen waarmee de meest afgelegen dorpen konden worden bereikt waren vier kleine roeiboten en één aftandse, mijns inziens geheel onbetrouwbare, houten motorboot. Niemand die kon vertellen om hoeveel mensen het precies ging, maar de geruchten die zich onder de lokale bevolking hadden verspreid voorspelden weinig goeds. Waarom de overheid hiervoor de hulp van het leger niet had ingeschakeld was voor velen een pijnlijke kwestie. Hoe was het mogelijk dat in de opvangkampen enkele kilometers verderop duizenden mensen al wekenlang werden voortgeholpen, maar ze in bepaalde delen van Madhepura nog steeds omkwamen van de honger? Was dit de keerzijde van de medaille waar bijna niemand met een woord over repte? En waren de kampen niet meer dan een politieke stunt geweest? Het werd verleidelijk dat te beginnen denken.  (c) Jan Bierkens Twee dagen voor mijn vertrek naar Calcutta, trokken 8 vrijwilligers van verschillende NGO’s, 5 kranige zusters uit Ranchi, 7 studenten van het College voor Theologie in Delhi en ikzelf, er met een boot op uit, voorzien van medicijnen, voedselpakketten en kilo’s melkpoeder, op zoek naar vergeten slachtoffers in de moeilijkst bereikbare gebieden. De tocht was lang en werd op een bepaald ogenblik vrijwel ondraaglijk, toen de zon tegen twaalven haar hoogste positie bereikte en ik vanwege de blakerende hitte bijna het bewustzijn verloor. Ook de luchtvochtigheid was, ondanks de tijd van het jaar, nog steeds moordend. Bij de minste beweging sijpelde het zweet uit mijn poriën en de keren dat de zusters me papieren zakdoekjes aanreikten waren al vlug niet meer te tellen. Toen een van hen in het Hindi daarover een kennelijk amusante opmerking maakte, kaatste ik in het Engels de vraag terug of iemand van hen ooit al eens op een skipiste had gestaan. De daaropvolgende stilte kwam er vermoedelijk omdat ze de vraag niet hadden begrepen, niet omdat mijn flauwe grap tot ze was doorgedrongen. Een eerste dorp bereikten we na bijna drie uur varen, nadat monodisch geschreeuw ons vanuit de verte was komen toegewaaid. Het penetrant geluid kwam van een groep kinderen, die ons trappelend en zwaaiend aan de oever stonden op te wachten als waren wij de eerste mensen die ze in jaren hadden gezien. Op het moment dat de boot aanmeerde, was het aantal toeschouwers bijna verdubbeld. Enkel de wind die over het water blies hoorde je nu nog fluiten, terwijl honderden graatmagere gezichten met blikken vol verdriet en frustratie de mijne kruisten. Ik kon me nauwelijks voorstellen wat deze mensen hadden doorstaan, al die tijd quasi zonder voedsel, drinkbaar water en medicijnen. Meer dan vijftig dagen lang waren ze van de buitenwereld afgesloten geweest, omringd door een zee van water waarin ze familie en vrienden, spartelend en vechtend voor hun leven meegesleurd hadden zien worden. Geen honderden, zoals volgens de officiële cijfers, maar wellicht duizenden stierven een gruwelijke verdrinkingsdood. Dorpelingen kregen het woord Koshi nog amper over de lippen, en bedachten de weinig verhullende bijnaam ‘The River of Sorrow’.  (c) Jan Bierkens ’s Avonds laat de dag nadien wisselde priester Aby en ik een laatste keer gedachten uit. We zaten naast elkaar op een betonnen verhoogje aan het voorportaal en dronken thee. Er was al veel verwezenlijkt, vond de priester, maar nog lang niet genoeg. Er stonden nog zware weken voor de deur, als het al geen maanden waren. Hij vroeg zich ook af of de mensen in België eigenlijk wel op de hoogte waren van wat er hier aan de hand was. Ik vertelde hem in alle eerlijkheid dat ze dat voorzeker wel geweest waren, maar dat die gebeurtenis al lang geleden plaats had gemaakt voor nieuwere feiten. Overstromingen in Haïti waarbij honderden het leven lieten, een aardbeving in Pakistan, de zoveelste bomaanslagen in Irak en Afghanistan, ontvoerde toeristen in het zuiden van Egypte, presidentverkiezingen in de Verenigde Staten,... Zo goed als niemand zou zich nog herinneren welk drama zich hier precies had afgespeeld, laat staan dat er iemand zichzelf nog maar de vraag zou stellen wat de omstandigheden nu eigenlijk waren. Tja, zo ging dat nu eenmaal. Vlak boven mijn hoofd bewogen ontelbare vliegjes in een razend tempo omheen een gloeilamp, als elektronen rond de kern in een atoom. Het leek de perfectie, een fabuleus en sierlijk samenspel van snelheid, mobiliteit en coordinatie. De priester en ik staarden er minutenlang naar, zonder een woord te zeggen, verbijsterd door de schoonheid ervan. De ochtend nadien vond de poetsvrouw de beestjes terug, morsdood, in een massagraf recht onder de lamp. Op haar knieën, en gewapend met een rieten borstel veegde ze de vliegjes met korte bewegingen van het verhoog, het gras in. Net zoals ik ze dat gisteren had zien doen, en net zoals ze dat morgen, ook weer zou doen.
|