Natte voeten zijn bijna een jaarlijkse traditie geworden in Bihar, maar de veelheid water waarmee de inwoners van de armste deelstaat van het Indische subcontinent dit keer werden overspoeld ging de verbeelding ver voorbij. Op 18 augustus 2008 in Kusaha in het zuidoosten van Nepal, sloeg de door aanhoudende regens toegenomen watermassa een gat in een dijk van de Koshi rivier. Een onvoorstelbare hoeveelheid water ontsnapte, de oorspronkelijke rivier verlegde haar koers en er ontstond een tweede route. Beide rivieren traden buiten hun oevers en in een mum van tijd kwam meer dan 100 000 Ha landbouwgrond blank te staan. De ramp trof miljoenen mensen. Op een aantal plaatsen, waaronder Supaul en Madhepura, bedroeg het waterpeil meer dan 3 meter. De laatste gegevens die ik in New Delhi onder de neus kreeg geschoven, enkele uren voor mijn vertrek naar de plaats van het onheil, dateerden van 28 september en kwamen uit een rapport dat was opgesteld door het MHA (Ministry of Home Affairs). De balans was hallucinant: 4.842.000 getroffen inwoners, 2528 ondergelopen dorpen in 18 verschillende districten, 387.189 volledig vernielde huizen,... De dodenteller stond op dat moment op slechts 248. Een cijfer dat, de leugenachtige regering van Bihar in acht genomen, een stevige portie kritische wantrouwigheid verdiende. Enkele dagen na de ramp moet de chaos compleet zijn geweest. De hulpverlening van plaatselijke NGO’s kwam moeizaam op gang, in hun intenties belemmerd door zware regenval en een vernielde wegeninfrastructuur. Slachtoffers zochten een onderkomen in geïmproviseerde kampplaatsen, op rivieroevers of langs verlaten autowegen, terwijl de moeilijkst bereikbare gebieden met behulp van helikopters van voedselpakketten werden voorzien. Medische hulp bleef de eerste dagen uit. Intussen maakte de overheid van Bihar zichzelf populair door tientallen zogeheten Megakampen op te richten waarin honderdduizenden mensen werden ondergebracht, gevoed en verzorgd. Toen ik op 4 oktober in Purnia arriveerde, anderhalve maand na de dijkbreuk in Nepal, verbleven er in het grootste kamp nog zo’n 7000 mensen. Het kostte priester Francis Tirkey, directeur van Caritas India voor het district Purnia, duidelijk moeite om me in het kamp binnen te krijgen. De DM -District Magistrate- van Purnia, reageerde met beduidend veel achterdocht op de vraag of ik er eens een kijkje mocht nemen. De houding die de man tegenover mij aannam oogde uitermate offensief. In zijn schaduw stond een kleine, ietwat mollige vrouw, wiens ogen de hele tijd naar mijn cameratas afdwaalden. ‘Bent u journalist?’ was zijn vraag, nadat ik hem reeds naam, woonplaats en moedertaal te kennen gaf. ‘Nee’, zei ik en tikte met mijn wijsvinger op het rode Canon-logo dat op de voorkant van de tas stond geprint. De vrouw keek nerveus om zich heen. ‘Cameraman’, probeerde de DM een tweede keer, een woord dat eruit kwam op een toon alsof hij er zeker van was dat hij het nu wel bij het rechte eind had. Ik vertelde hem dat ik fotograaf was en dat ik voor Caritas Belgium een reportage maakte over de overstromingen in Bihar. Daaraan voegde ik toe dat ik trachtte om zo veel mogelijk aspecten van de ramp in beeld brengen en de door de overheid georganiseerde Megakampen was er beslist één van. Maar de DM leek niet terstond overtuigd en de priester diende tussenbeide te komen om hem ervan te vergewissen dat het een reportage voor ‘de goede zaak’ betrof. Gelukkig schenen zij elkaar nogal goed te kennen, wat ongetwijfeld in mijn voordeel speelde. Ik kreeg permissie, maar onder een aantal strikte voorwaarden. Zo werd er uitdrukkelijk gevraagd om de positieve kant van de zaak te belichten, een voorwaarde die door de DM tamelijk ernstig werd genomen. Zo kreeg ik een soort toeziener mee het veld in gestuurd die me, toen ik mijn lens op de sanitaire voorzieningen richtte, een tik op de schouders gaf en in zijn beste Engels met de vraag kwam of ik hem niet wilde portretteren. Een handigheidje dat hij meer dan eens toepaste.  (c) Jan Bierkens De verklaring voor die achterdocht lag bij de Indiase pers, die vlak na de kampoprichting massaal was komen opdagen. De toestand moet toen zodanig chaotisch zijn geweest dat de krantenkoppen de dag nadien alleen maar wensten te berichten over de onbekwaamheid en nalatigheid van de overheid, iets dat ze -in het bijzonder in Bihar- allerminst konden gebruiken. Sindsdien was de kans om er als journalist binnen te geraken bijzonder klein. Ik hield er die dag, begin oktober, nochtans niet dezelfde mening als de pers op na. De hele opzet toonde een duidelijke structuur en alle voornaamste faciliteiten waren aanwezig. Niemand leek om te komen van de honger of de dorst en een minderheid scheen zich zelfs te vermaken. Ik bedacht daarop dat voor een aantal van deze mensen de condities hier veel beter waren dan ze gewoon waren en dat het voor hen een zware klap zou betekenen wanneer ze na verloop van tijd terug huiswaarts werden gestuurd. Mogelijk was die redenering niet te ver gezocht. ’s Avonds, bij het nuttigen van een gekoelde fles Kingfisher, vroeg ik priester Francis naar zijn mening over de kampen. Deze leek zich vooral vragen te stellen over de nazorg, in eerste instantie voor diegenen die letterlijk alles waren kwijtgeraakt. Familie, woning, veestapel, akker en persoonlijke bezittingen... voor bepaalde slachtoffers had de zondvloed geen greintje genade getoond. Het precieze lot van deze mensen was nog niet helemaal duidelijk, al was het aannemelijk dat de overheid zich over hen zou ontfermen. Dat was ze de bevolking van Bihar simpelweg verschuldigd. Men kan zich trouwens terecht de vraag stellen of dit drama niet geheel had kunnen voorkomen worden. Zo zou de Kosi dam al veel langer geleden schade hebben opgelopen, maar weigerden Nepal noch India daar iets aan te veranderen. Volgens het Kosi verdrag dat werd opgesteld in 1954 en later werd herzien in 1966, is India verantwoordelijk voor de werking en het onderhoud van de Kosi dam. Die bevindt zich echter op Nepalees grondgebied, wat India ogenschijnlijk als een legitiem tegenantwoord beschouwde en waardoor er tot op die bewuste dag, 18 augustus, geen reparaties plaatsvonden. Op 29 augustus werd er een dan toch een akkoord bereikt over de herstelling van de dam, waarin stond dat India de taak op zich zou nemen.) Twee dagen later bevond ik mij in het gezelschap van een zeskoppig Caritas team. We scheurden in drie afgeladen jeeps vol medicijnen en zakken rijst naar Amour, een piepklein dorpje op anderhalf uur rijden van Purnia. Ik had begrepen dat het water hier lelijk had huisgehouden. Onderweg naar Amour werd duidelijk dat op de meeste plaatsen het leven alweer z’n gewone gangetje ging; enkel de reusachtige plassen aan weerskanten van de rijbaan refereerde naar het drama dat zich hier vorige maand had afgespeeld. Ik stak mijn hoofd uit het raam en maakte een paar foto’s. Meteen parelde het zweet op mijn voorhoofd. De luchtvochtigheidsgraad bedroeg nog steeds meer dan 80 %. Het verwonderde me dat ik gedurende de afgelopen twee weken nog geen druppel regen had zien vallen. Er werd de ganse tijd gespeculeerd over wat de eventuele gevolgen zouden zijn, moest het toch opnieuw beginnen regenen. Xavier Thomas, Project Support Officer voor het Flood Relief Program of Caritas India in Bihar, lichtte mij voor het eerst in over de ‘second monsoon’, een begrip dat verwees naar een soort post-regenperiode die zich meestal afspeelde gedurende de tweede helft van oktober. Gelukkig zou die periode dit jaar behoorlijk mild zijn. Tegen de middag bereikten we Amour, waar op een driehoekig grasveldje vlak achter een katholieke kerk zich reeds honderden mensen hadden verzameld. Voedsel en medicijnen werden uitgedeeld. Identificatie van de slachtoffers, voornamelijk om bedriegerij te voorkomen, gebeurde eenvoudigweg door middel van vingerafdrukken. Een systeem dat goed scheen te werken. Over een tijdspanne van minder dan twee uur kreeg iedereen datgene waar hij of zij recht op had en nog eens een half uur later was het graspleintje zo verlaten, dat het aanvoelde alsof het nooit anders was geweest. Op de terugweg naar Purnia zag het er even naar uit dat de hemel zijn sluizen zou openen, toen er rond 15 u 00 een donkere paarsblauwe wolk langzaam boven onze hoofden voorbijtrok. Uiteindelijk bereikten we de stad zonder één spatje nattigheid, in deze contreien niet altijd evident gebleken. De ochtend daarop vertrok ik naar Saharsa en Madephura. Het was pas hier dat de omvang van de ramp werkelijk tot me begon door te dringen. Lees verder: deel 2 van deze blog. Alle foto's (c) Jan Bierkens.
|